INDICATOREN OM DE EFFECTIVITEIT VAN SCHOLEN TE VOLGEN

In Portugal worden indicatoren met betrekking tot voortijdig schoolverlaten en het verbeteren van de leerprestaties gebruikt om de kwaliteit van de prestaties van leerlingen te verhogen en het goede werk dat alle openbare scholen verzetten, te erkennen/belonen.

Het programma voor prioritaire interventiegebieden in het onderwijs (TEIP) heeft de volgende doelstellingen: de leerprestaties verbeteren en de kwaliteit van de leertrajecten verhogen om voortijdig schoolverlaten en ongeoorloofde afwezigheid terug te dringen; ongedisciplineerd gedrag verminderen en de betrekkingen tussen scholen, gezinnen en gemeenschappen versterken. De clusters die aan het programma deelnemen, zijn gevestigd in sociaal en economisch achtergestelde gebieden waar geweld, voortijdig schoolverlaten, schoolverzuim en kinderarbeid ten grondslag liggen aan mislukking op school.

Op nationaal niveau heeft het Ministerie van Onderwijs en Wetenschap twee indicatoren vastgesteld om de kwaliteit van de prestaties van leerlingen te verhogen en het goede werk dat alle openbare scholen verzetten, te erkennen/belonen. Aan de hand van de indicator voor de effectiviteit van het onderwijs (EFI) wordt beoordeeld in hoeverre de leerprestaties zich jaarlijks ontwikkelen en of de resultaten van de interne beoordeling overeenstemmen met die van de externe beoordeling (in dit geval landelijke examens). Of de school vooruit is gegaan, wordt gemeten aan de hand van het startpunt van de school in kwestie (in vergelijking met het voorgaande jaar). De indicator voor het uitvalrisico (RA) is gebaseerd op het aantal leerlingen waarvan scholen aan het eind van het schooljaar melden dat zij zijn uitgevallen, van school zijn gegaan of zijn blijven zitten doordat ze te vaak afwezig waren. Scholen die deze aantallen weten terug te dringen, kunnen extra middelen krijgen om voortijdig schoolverlaten aan te pakken. Om 30 extra studiepunten te verwerven zou een school bijvoorbeeld het uitvalniveau met meer dan de helft ten opzichte van het vorige jaar moeten verlagen.

Parallel aan deze maatregelen kunnen alle scholen gebruikmaken van andere initiatieven om hun leerlingen vooruit te helpen, bijvoorbeeld het Plus School Success-programma (PMSE), bemiddeling/mentorschap en begeleiding en psychologische ondersteuning op scholen.

Bovendien houdt het inspectoraat-generaal Onderwijs en Wetenschap sinds het schooljaar 2012/2013 in zijn externe beoordeling van schoolprogramma’s rekening met de indicator ‘verwachte waarde’. Die maakt het mogelijk om de resultaten van elke school (en de ontwikkeling ervan) te vergelijken met die van andere, vergelijkbare scholen. Omdat de evaluatie in deze indicator meer aandacht krijgt, is hij eerlijker voor bijvoorbeeld scholen in achtergestelde gebieden.

Voor elk scholencluster in het TEIP-programma worden streefdoelen vastgesteld aan de hand van vier verschillende gebieden, waarin indicatoren zijn opgenomen: Gebied 1 – Examenresultaat (nationale beoordeling), gemeten door de indicator slagingspercentage en gemiddeld cijfer; Gebied 2 – Resultaat interne beoordeling, gemeten door de indicator slagingspercentage en de indicator percentage leerlingen die voor alle vakken een voldoende hebben. Gebied 3 – Voortijdig schoolverlaten, gemeten door de indicator percentage voortijdig schoolverlaten, en tot slot Gebied 4 – Ongedisciplineerd gedrag, aan de hand van een indicator die het aantal gemelde episoden van ongedisciplineerd gedrag per student meet. Alle streefdoelen zijn gebaseerd op de gegevens die gedurende de drie voorgaande jaren zijn verzameld, zodat voor elke school een vergelijkbaar uitgangspunt geldt op basis waarvan haalbare en eerlijke doelen kunnen worden gesteld.

Samenvattend laten de beschreven indicatoren een toename zien van het aantal schoolclusters binnen het TEIP-programma waarvan het percentage voortijdig schoolverlaters lager is dan het landelijk percentage. In de eerste negen schooljaren heeft bijna de helft van de clusters het afwezigheidspercentage teruggedrongen, in vergelijking met het gemiddelde van de drie voorgaande jaren. Het aantal gevallen van ongedisciplineerd gedrag per student is in ongeveer de helft van de clusters verminderd. Meer dan 20% van de clusters heeft een slagingspercentage dat hoger ligt dan het nationaal gemiddelde en 43,3% van de clusters heeft in meer dan de helft van de landelijke examens de achterstand ten opzichte van het landelijk gemiddelde verkleind.

Soort
Praktijk
Land
Portugal
Taal
BG; CZ; DA; DE; EL; EN; ES; ET; FI; FR; HR; HU; IT; LT; LV; MT; NL; PL; PT; RO; SK; SL; SV
Niveau van de school
Pre-school; Primary; Secondary
Niveau van de interventie
Universeel
Intensiteit van de interventie
Voortdurend
Bron van financiering
Europese financiering; Landelijke overheid